componisten romantiekComponisten Romantiek een tijdperk vol mogelijkheden.

In de beeldende kunst en literatuur kwam al aan het einde van de 18e eeuw de stroming van de Romantiek opgang. De muziek zou niet lang op zich laten wachten en zou deze nieuwe trend gaan volgen.
De natuur was de grote inspiratiebron, het emotionele en instinctmatige kreeg in de romantiek prioriteit boven de strakke vormen en conventies van het classicisme. Er werd geëxperimenteerd met een nieuwe en gewaagde harmonische taal. Klankkleuren werden belangrijk, er kwam ruimte voor vrije invulling ofwel interpretatie door de toehoorder. Effecten en programmamuziek waar de vrije fantasie een eigen betekenis aan kon geven.
In veel romantische muziek stond de virtuoze uitvoerende solist centraal. Liszt reisde door heel Europa als klavier fenomeen. Hij zette de nieuwe trends, met hem kwam het solorecital waarbij een solist een avondvullend programma speelt. Hij speelde zonder bladmuziek en verwierf net als de violist Paganini een populariteit gelijk aan een huidige popster.

Een andere belangrijke trend was de intieme salonmuziek. Chopin veroverde de Parijse salons met zijn miniaturen. Hij was de piano-dichter die voldeed aan alle stereotypen van de Romantische kunstenaar.
De meeste componisten uit de romantiek schreven niet alleen concertmuziek voor de piano maar ook salon muziek. Korte veelal eenvoudige melodieuze muziek voor de amateur pianist. In Wenen en Berlijn schoten de pianofabrieken uit de grond om aan de grote vraag naar piano’s te voldoen. Het hoorde bij de gegoede burgers een piano te bezitten en te bespelen.
In de romantiek vervaagden de grenzen tussen de disciplines. Liszt schreef essays over uiteenlopende onderwerpen. Schumann, Wagner en Berlioz waren ook recensenten en schreven tevens artikels over muziek en kunst. Wagner schreef zijn eigen libretto’s en Carl Maria von Weber schreef een roman. Musici waren niet meer in dienst van het hof of de kerk maar leefden veelal een avontuurlijk bohemien leven met reizen en optredens.

De vroegromantiek (1790-1830)


De vroegromantiek komt voort uit de late klassieke periode die al emotioneler en vaak programmatisch is. Beethoven kan bij zijn latere werken als de eerste romantische componist gezien worden, daarnaast Schubert, Weber en Mendelssohn.

De hoogromantiek (1830-1880)

Markante en lange slepende melodieën, dramatiek en spanning vieren hoogtij. Het orkest is nu uitgebreider en de emotie spreekt de luisteraar meer aan dan vorm. Met Schumann, Liszt, Brahms en Tsjajkovski bereikt de hoogromantiek zijn top.

De laatromantiek (1880-1915)


In de laatromantiek gaan de componisten nog dieper. De emotie wordt nog intenser, heftiger en vaak grimmiger. Hiermee wordt de natuurbeleving en de biedermeier beleving verlaten en maken deze ruimte voor een breder spectrum van menselijke emoties. Opnieuw was het Franz Liszt die ook hier de overgang naar de laatromantiek in beweging zette. Monsterorkesten zijn nodig om deze muziek van bijvoorbeeld Mahler en Strauss uit te voeren.
Het orkest werd in de romantiek steeds verder uitgebreid ten opzichte van de bezetting in de klassieke periode. Vooral Hector Berlioz en later Richard Wagner breiden de koperblazers uit naar een viervoudige bezetting. De piccolo, altfluit, Engelse-hoorn en de Tuba werden standaard aan het orkest toegevoegd. Ook de harp werd verdubbeld en soms zelfs drie of vierdubbel ingezet. De rijkere bezetting gaf de componist meer mogelijkheden aan om zijn grensoverschrijdende ideeën betreft emotie, klankkleur en grootsheid te verwezenlijken.